Hematologische Maligniteiten
Jacoline Bromberg
18 januari 2010
Inhoudsopgave:

Bij patiënten met een hematologische maligniteit omvat de differentiaal diagnose van neurologische verschijnselen altijd zowel een lokalisatie of complicatie van de maligniteit in het CZS als de complicaties van behandeling. De relatieve frequentie van voorkomen van een CZS lokalisatie bij de specifieke maligniteit, alsmede de hematologische situatie en de (bekende) bijwerkingen van de gebruikte medicamenten bepalen de waarschijnlijkheid. De tabel geeft een beknopt overzicht weer.
Tabel. Overzicht van meest voorkomende neurologische complicaties van hematologische maligniteiten.
|
|
frequentie
CZS lokalisatie
|
aard neurologische complicatie
|
neurotoxische medicatie
|
|
M.Hodgkin
|
0,2%2
|
Hersenparenchym/dura
|
|
|
NHL - systemisch
|
5%
Meer igv intermediaire en hoge maligniteitsgraad3
|
liquor lokalisatie,
20-25% tevens (hersen)parenchym
|
Vincristine,
Cisplatin (recidief)
|
|
NHL - primair CZS
|
Per definitie
|
(hersen)parenchym,
25-40% tevens liquor
|
HD-MTX
Intrathecaal MTX/araC
|
|
ALL
|
30% (zonder profylaxe)11
|
liquor lokalisatie, evt leucostase
|
Asparaginase, HD-MTX, vincristine
|
|
AML
|
Zelden (2-5%)
|
liquor lokalisatie, leucostase, chloroom
|
Cytarabine (ara-C)
|
|
CML
|
mn bij transformatie
|
Liquor, chloroom
|
|
|
CLL
|
1-2% symptomatisch18
|
liquor lokalisatie,
subduraal hematoom
|
|
|
M.M./M.Waldenström
|
1%19
|
polyneuropathie,
myelum compressie,
sporadisch liquor lokalisatie
|
Dexamethason, Vincristine, Thalidomide, Bortezomib
|
Hieronder volgen eerst enkele algemene opmerkingen over kliniek en diagnostiek, gevolgd door specifieke, ziekte-gerelateerde onderdelen.
In het algemeen helpen de klinische verschijnselen voornamelijk met het lokaliseren van de aandoening meer dan met analyse van de oorzaak. Van groot belang is wel de anamnese naar de snelheid en het tijdstip van ontstaan in relatie tot de ziekte, eventuele leucocytose of leuco- en thrombopenie en het gebruik van bepaalde medicamenten, met name cytostatica. In het algemeen is, zoals ook bij patiënten met solide tumoren, een verdachte anamnese ook zonder afwijkingen bij neurologisch onderzoek voldoende reden voor aanvullende diagnostiek.
Beeldvorming
Het verdient de voorkeur een MRI zonder en met gadolineum te maken tenzij uitsluitend informatie gezocht wordt over het al dan niet bestaan van een intracraniële bloeding. MRI is gevoeliger voor afwijkingen in de witte stof, leptomeningeale aankleuring en subtielere lokalisaties van de maligniteit, alsmede de uitbreiding van een parenchymlesie. Echter, de gevoeligheid ook van MRI voor het aantonen van leptomeningeale lokalisaties van de meeste hematologische maligniteiten is beperkt.
Liquor Onderzoek
Routinebepalingen zoals eiwitgehalte en celgetal kunnen helpen om de waarschijnlijkheid van een liquorlokalisatie te ondersteunen. Bij een serie van 219 ongeselecteerde patiënten met een hematologische maligniteit bleek de kans op het bestaan van een liquor lokalisatie bij een liquor pleiocytose 10 keer zo groot als wanneer er geen celreactie was.1 De kans op lokalisatie bij verhoogd totaal eiwit was ongeveer 3x verhoogd. Desalniettemin had 19% van de patiënten met een normaal eiwit en celgetal alsnog een liquorlokalisatie; ook normale bevindingen bij routineonderzoek sluit dus een liquorlokalisatie niet uit.
Naast routineonderzoek dient cytomorfologische beoordeling en zo mogelijk immunofenotypering middels flowcytometrie plaats te vinden. Met flowcytometrie worden markers op het celoppervlak gelabeld en is het mogelijk zeer kleine monoklonale populaties aan te tonen. Flowcytometrie is 2-3 keer zo gevoelig als cytomorfologie voor het aantonen van een hematologische maligniteit in de liquor.1 Desondanks komt het sporadisch voor dat flowcytometrie ten onrechte negatief is en cytomorfologie positief: beide methoden moeten dus naast elkaar gebruikt worden.
Bij normale bevindingen en klinische verdenking op een liquorlokalisatie is herhalen van de lumbale punctie zinvol - bij 20% van de patiënten is de eerste liquor vals-negatief - maar slechts 5% heeft meer dan 3 puncties nodig om de diagnose te bevestigen. Daarnaast is bij symptomatische patienten onderzoek naar (opportunistische) infecties vrijwel altijd geindiceerd.
Bij M.Hodgkin is de kans op een CZS lokalisatie dermate klein dat directe of indirecte complicaties van behandeling of een niet-gerelateerde aandoening doorgaans waarschijnlijker is. De grootste serie is een recente trans-Atlantische serie die 16 patienten met een CZS lokalisatie van M Hodgkin beschrijft.2
Van alle patienten met een systemisch NHL heeft of krijgt ca 5% een CZS lokalisatie; bij 20-25% daarvan is dit reeds aanwezig bij aanvang van de ziekte. Het betreft doorgaans een liquorlokalisatie, waarbij 20-25% (tevens) een (hersen)parenchymlesie heeft. Patiënten met een agressief lymfoom zoals een Burkitt of een lymfoblastair lymfoom hebben een veel grotere kans (25%) dan patienten met een laaggradig lymfoom (<3%).3 Het diffuus grootcellig B-cellymfoom (DGBL) heeft een intermediair risico waarbij de aanwezigheid van meer dan 1 extranodale lokalisatie ofwel een lokalisatie in orbita, sinussen, of testis een rol spelen.3;4 Profylactische intrathecale behandeling wordt geadviseerd bij patiënten met een Burkitt of een lymfoblastair lymfoom en bij patiënten met een DGBL en een lokalisatie in bovengenoemde risico gebieden. Doorgaans wordt dan 6 keer (1 x per kuur) intrathecaal MTX gegeven tenzij een specifiek protocol anders aangeeft.
Klinische verschijnselen zijn doorgaans passend bij de lokalisatie in liquor of hersenen waarbij aangetekend moet worden dat een deel van de patiënten met een bewezen liquorlokalisatie asymptomatisch is. Liquorlokalisatie komt het meeste voor en kan zich presenteren met radiculaire klachten of verschijnselen, hersenzenuwuitval of hoofdpijn. Een parenchymlokalisatie presenteert zich doorgaans met verschijnselen passend bij een focaal of multifocaal RIP.
Differentiaal diagnose
Differentiaal diagnose
Afhankelijk van het klinisch beeld omvat de differentiaal diagnose infecties, eventueel bloedingen, en andere oorzaken van een focaal RIP in cerebro. Neurotoxiciteit van medicatie staat in de differentiaal diagnose in geval van polyneuropathie (vincristine, cisplatin), een (sub-)acuut cerebellair syndroom (cytarabine), encephalopathie (methotrexaat, busulfan), of insulten(busulfan). Bij langdurige leucopenie moet ook gedacht worden aan opportunistische infecties.
Behandeling
Behandeling hangt af van het tijdstip van optreden van de CZS lokalisatie. Wanneer dit reeds bij aanvang van de ziekte is, wordt intrathecale behandeling met methotrexaat (MTX) toegevoegd aan de standaard systemische behandeling (meestal CHOP + Rituximab) waarna veelal radiotherapie op de schedelinhoud en het symptomatische gebied (indien dat anders is) gegeven wordt. Intrathecaal wordt initieel 2 keer per week behandeld totdat de liquor 2 opeenvolgende keren schoon is. Daarna met afnemende frequentie tot 10-14 injecties. Met deze behandeling is de prognose van patiënten met een CZS lokalisatie gelijk aan die van patiënten met andere extranodale lokalisaties van de ziekte.
Behandeling hangt af van het tijdstip van optreden van de CZS lokalisatie. Wanneer dit reeds bij aanvang van de ziekte is, wordt intrathecale behandeling met methotrexaat (MTX) toegevoegd aan de standaard systemische behandeling (meestal CHOP + Rituximab) waarna veelal radiotherapie op de schedelinhoud en het symptomatische gebied (indien dat anders is) gegeven wordt. Intrathecaal wordt initieel 2 keer per week behandeld totdat de liquor 2 opeenvolgende keren schoon is. Daarna met afnemende frequentie tot 10-14 injecties. Met deze behandeling is de prognose van patiënten met een CZS lokalisatie gelijk aan die van patiënten met andere extranodale lokalisaties van de ziekte.
Indien de CZS lokalisatie later optreedt wordt gesproken van een CZS recidief. In dat geval bewerkstelligt behandeling met intrathecale chemotherapie, doorgaans MTX, cytarabine of Depocyteâ (liposomaal cytarabine) en/of radiotherapie op symptomatische gebieden symptomatische verbetering bij 50-80% van de patienten. Echter, doorgaans treedt gelijktijdig met het CZS recidief of kort erna tevens een systemisch recidief op en de prognose wordt uiteindelijk grotendeels door het systemische recidief bepaald. Zonder systemische behandeling, naast de behandeling van het CZS, is de prognose infaust. Zelfs wanneer daarnaast systemische chemotherapie gegeven wordt bedraagt de mediane overleving slechts 2-4 maanden en is de 1 jaars-overleving ca.10%. Behandeling met hoge dosis chemotherapie gevolgd door perifere stamceltransplantatie (PBSCT) kan bij geselecteerde patienten met een CZS recidief leiden tot een goed resultaat.5;6 De verwachting is dat toevoeging van hoge dosis MTX (HD-MTX), analoog aan de behandeling van het primair CZS-lymfoom (zie verder), aan systemische chemotherapie en PBSCT voor het recidief NHL, tot verdere verbetering van de prognose zal leiden. Deze behandeling wordt momenteel onderzocht in een landelijke fase II HOVON (Stichting Hematologie-Oncologie Volwassenen Nederland) studie. Het verdient aanbeveling alle patienten met een CZS recidief van een systemisch NHL te verwijzen naar een van de deelnemende grote centra.
is een non-Hodgkin lymfoom, dat per definitie uitsluitend in het centrale zenuwstelsel (hersenen, leptomeningen, ruggenmerg en oog) gelokaliseerd is. De incidentie is ca 3 per 1.000.000 per jaar en het betreft in 95% een grootcellig B-cellymfoom.7 De meest voorkomende lokalisatie van het PCNSL is de hersenen, waarbij het veelal een periventriculair of in het corpus callosum gelegen ruimte-innemend proces betreft dat in ca 40% van de patienten multifocaal is. Bij ca 25% van de patienten is tevens sprake van een liquorlokalisatie en bij 5-20% een intra-oculair lymfoom. Alle patienten dienen volledig gestageerd te worden inclusief CT-hals-thorax-abdomen, beenmergpunctie en oogheelkundig consult. Standaardbehandeling bij patienten in een goede conditie is hoge-dosis methotrexaat (HD-MTX) bevattende chemotherapie eventueel gecombineerd met intrathecale chemotherapie en gevolgd door bestraling van de schedelinhoud.8 Of bestraling veilig achterwege gelaten kan worden ter voorkoming van late toxiciteit wordt momenteel in Duitsland onderzocht. Bij patienten boven de 60 jaar wordt bestraling in geval van goede respons achterwege gelaten in verband met het hoge risico op late bestralingsencephalopathie. Leeftijd en performance status zijn waarschijnlijk de belangrijkste prognostische factoren zowel voor overleving als voor late toxiciteit van behandeling.9 Bij oudere patienten in een matige conditie is uitsluitend radiotherapie ter palliatie en levensverlenging te overwegen. Voor uitgebreidere informatie betreffende het primair CZS lymfoom verwijs ik naar dat deel van deze website.
Neurolymfomatosis is een infiltratie van een of meerdere onderdelen van het perifere zenuwstelsel door lymfoomcellen. Het kan zich presenteren zowel met een pijnlijke als met een pijnloze aantasting van perifere zenuwen, plexus, wortels, hersenzenuwen of een combinatie daarvan. Een pijnlijke polyradiculoneuropathie is de meest voorkomende verschijningsvorm.10 Neurolymfomatosis kan ontstaan bij patiënten met een uitgebreid aktief non-Hodgkin lymfoom maar kan ook het eerste teken zijn van een recidief van een eerder behandeld lymfoom of zelfs de eerste en/of enige manifestatie van een lymfoom. Differentiaal diagnostisch moet, wanneer de patiënt reeds bekend is met een lymfoom, gedacht worden aan een leptomeningeale lokalisatie of bijwerkingen van chemo- of radiotherapie. Wanneer de patiënt niet bekend is met een lymfoom omvat de differentiaal diagnose ook infectieuze, inflammatoire en paraneoplastische aandoeningen evenals deficiënties en intoxicaties. Neurolymfomatosis komt in 25-50% van de gevallen gelijktijdig voor met een leptomeningeale lokalisatie. De diagnose is vaak moeilijk te stellen. MRI kan verdikte aankleurende zenuwen, wortels of plexus laten zien maar de afwijkingen zijn vaak subtiel. Biopt van een aangedane zenuw is in principe diagnostisch maar niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer een proximale zenuw of wortel is aangedaan. De laatste jaren wordt FDG-PET steeds vaker gebruikt in de diagnostiek van lymfomen. Ook bij de diagnose neurolymfomatosis, zeker wanneer dit optreed in het kader van een reeds bekend Non-Hodgkin lymfoom, kan een PET-scan de diagnose bevestigen. PET gekoppeld aan CT (PET-CT) geeft naast metabole informatie ook betere lokaliserende informatie. Hoewel de literatuur betreffende neurolymfomatosis uitsluitend case-reports en kleine series bevat lijkt het belangrijkste onderdeel van de behandeling systemische chemotherapie te zijn, eventueel in combinatie met intrathecale chemotherapie (in geval van tevens aanwezige liquor lokalisatie) en gevolgd door bestraling van aangedane gebieden.
Naar boven
|
|
Aantasting van het zenuwstelsel door leukemie kan veroorzaakt worden door 3 mechanismen. Allereerst door directe invasie van het CZS, meestal de liquor of leptomeningen. Ten tweede door intracerebrale bloedingen bij thrombocytopenie. Ten derde door leucostase bij leucocytose (meestal > 100 x 109/l) waardoor zowel bloedingen als corticale infarcering met focale uitval of een diffuse encephalopathie kan optreden.
Een CZS lokalisatie van ALL komt voor bij < 10% van de volwassen patienten bij presentatie van de ziekte maar 30-50% ontwikkelt een CZS recidief wanneer adequate CZS profylaxe niet wordt gegeven.11 Sinds de invoer van profylactische behandeling met intrathecaal MTX en/of cytarabine komt het nog slechts bij < 10 % van de patienten voor, afhankelijk van de gegeven systemische en intrathecale behandeling. Voorheen werd CZS profylaxe afgerond met schedelinhoudsbestraling; recentere studies laten zien dat dit, bij adequate intrathecale profylaxe en systemische chemotherapie veilig achterwege gelaten kan worden. Bij bewezen CZS lokalisatie wordt doorgaans nog wel schedelbestraling geadviseerd.
Klinische verschijnselen
Doorgaans betreft een CZS lokalisatie een liquorlokalisatie: overeenkomstig betreft de kliniek doorgaans die van verhoogde intracraniële druk of hersenzenuwuitval, soms epilepsie of radiculaire verschijnselen. Echter tot 20% van de patiënten is asymptomatisch.
Differentiaal diagnose
Afhankelijk van het tijdstip van optreden van verschijnselen omvat de differentiaal diagnose naast een CZS lokalisatie van de leukemie een bloeding (zie boven), leucostase en infectie, met name bij leucopenie. Ook opportunistische infecties dienen te worden overwogen bij langdurige leucopenie of wanneer na beenmerg of stamceltransplantatie immuunsuppressiva worden gebruikt. Voorts directe of indirecte toxiciteit van medicamenten, waarbij gedacht dient te worden aan sinus thrombose als gevolg van asparaginase bij hoofdpijn of insulten, methotrexaat bij een diffuse encephalopathie en vincristine bij een polyneuropathie. De neurologische verschijnselen die gezien kunnen worden bij een graft versus host disease na allogene transplantatie vallen buiten het bestek van dit hoofdstuk.
Diagnostiek
Profylactische intrathecale therapie wordt uiteraard steeds gecombineerd met diagnostiek naar een liquorlokalisatie. Het is aangetoond dat de aanwezigheid van blasten in de liquor, ook in geval van een traumatisch punctie, een ongunstige prognostische factor is. De prognostische betekenis van de aanwezigheid van enkele blasten in de liquor zonder verdere celreactie of bloedbijmenging is onzeker en vermoedelijk mede afhankelijk van de verdere behandeling.12;13
Behandeling
Systemische behandeling. Bij een groot deel van de patiënten met ALL in Nederland vindt behandeling in studieverband. Veel gebruikte, mogelijk neurotoxische, middelen zijn prednison/dexamethason, vincristine, asparaginase, HD-MTX en HD-araC (cytarabine). Indien mogelijk wordt de chemotherapie behandeling gevolgd door een allogene beenmergtransplantatie, eventueel nog gevolgd door een periode met onderhoudsbehandeling.
Intrathecale behandeling. Als standaard intrathecale therapie wordt doorgaans monotherapie met MTX of eventueel araC gebruikt. Het is mogelijk dat tripeltherapie met MTX, araC en dexamethason als profylaxe effectiever is dan monotherapie: in 1 studie nam hiermee de frequentie van een CZS recidief af maar was de overleving slechter door meer vroege systemische recidieven.13
Profylaxe betreft vooralsnog 5-6 intrathecale injecties in de loop van de behandeling. In een recente HOVON studie naar intensivering van de behandeling bij jonge volwassenen analoog aan de behandeling van kinderen met ALL (die post of propter een intensievere behandeling een betere prognose hebben), waren tot 20 profylactische intrathecale injecties opgenomen in de loop van 2 jaar. De resultaten van deze studie zijn nog niet bekend.
Therapie. In geval van een aangetoonde leptomeningeale lokalisatie wordt een schema gehanteerd overeenkomstig bovengenoemde bij een CZS lokalisatie van het NHL, gevolgd door radiotherapie van de schedelinhoud.
AML is de meest voorkomende leukemie bij volwassenen maar desalniettemin zeldzaam met een incidentie van 2,4 per 100.000 die toeneemt met de leeftijd. De prognose is met name bij ouderen niet goed met <40% 5-jaarsoverleving. Lokalisatie in het CZS wordt beschreven bij ca 5% van de patiënten. Het risico is hoger bij bepaalde pathologische en cytogenetische subclassificaties en bij een hoog leucocytengetal, dat wel op kan lopen tot > 100 x 109/l bij aanvang van de ziekte. Om deze reden wordt geen standaard profylaxe gegeven maar wordt geadviseerd een diagnostische lumbaalpunctie te doen bij patiënten met een hoog leucocytengetal in het perifere bloed nadat het celgetal genormaliseerd is. Wanneer het CZS direct betrokken is is doorgaans sprake van een liquorlokalisatie. Daarnaast kunnen neurologische verschijnselen veroorzaakt worden door leucostase (zie boven) of een chloroom. Een chloroom is een extranodale lokale proliferatie van blasten die zich ook kan bevinden in de dura mater, zowel spinaal als cerebraal, of sporadisch in het hersenparenchym. Deze is doorgaans zeer gevoelig voor radiotherapie en strikt genomen geen CZS lokalisatie. Echter liquorlokalisatie kan gelijktijdig voorkomen. De overige differentiaal diagnose is overeenkomstig die van ALL waarbij alleen bij AML meer (HD-)cytarabine wordt gegeven. Behandeling van een liquorlokalisatie is in essentie conform die bij ALL; bij leucostase syndroom valt leucoferese te overwegen voor symptomatische verbetering.
Klinisch manifeste lokalisaties van CLL in het CZS zijn betrekkelijk zeldzaam: in een recente serie werd een incidentie van 1-2% gevonden.(Hanse) Vermoedelijk komen asymptomatische CZS lokalisaties vaker voor. Het betreft doorgaans een lokalisatie in de liquor met daarbij passende klinische verschijnselen. Behandeling met intrathecaal MTX of cytarabine en bestraling van symptomatische gebieden en de schedelinhoud heeft doorgaans beperkt resultaat: hoewel klinische verbetering veelal optreedt is een cytologische complete respons in de liquor zeldzaam. Desalniettemin is langdurige overleving van jaren mogelijk met/na CZS lokalisatie. Er zijn aanwijzingen dat systemische chemotherapeutische behandeling van de leukemie, eventueel naast de intrathecale behandeling, een beter en duurzamer resultaat heeft. Of hetzelfde geldt voor nieuwere behandelingen met monoclonale antistoffen zoals alemtuzumab (anti-CD52) is niet bekend maar wel aannemelijk. Gezien de langdurige (mogelijke) overleving van deze patiënten valt het, in geval van gunstig resultaat van intrathecale en/of systemische behandeling, te overwegen bestraling van de schedelinhoud achter de hand te houden voor als andere behandelingen falen.
Differentiaal diagnose van neurologische verschijnselen omvat met name bloedingen en infecties, alsmede niet gerelateerde aandoeningen bij deze oudere populatie.
Een CZS lokalisatie van CML is zeer zeldzaam en treedt meestal op ten tijde van of in het kader van een blasten crisis. De BCR-ABL tyrosine kinase remmer Imatinib is zeer effectief bij patiënten met CML maar passeert nauwelijks de bloedhersenbarrière (BHB). Sinds Imatinib de behandeling van keuze is geworden voor CML worden meer case-reports van CZS recidieven gepubliceerd. Gezien de gevoeligheid van AML voor cytarabine is intrathecale behandeling met cytarabine of Depocyteâeen logische keuze. Gunstig resultaat is ook beschreven van Dasatinib, een nieuwere SRC/BCR-ABL kinase remmer die wel de BHB kan passeren.14
Naar boven
Naar boven
De meest voorkomende neurologische complicaties bij plasmacel dyscrasieën zijn epidurale myelumcompressie en polyneuropathie, waarbij de polyneuropathie zowel door de (paraproteïnes bij) het MM veroorzaakt kunnen worden als door neurotoxische medicatie (zie verder). Steroid myopathie komt met enige regelmaat voor bij de VAD (Vincristine, adriamycine, dexamethason) kuren door de hoge dexamethason dosering ondanks de intermitterende toediening daarvan. Sporadisch komt focale uitval of epilepsie voor als gevolg van een schedelhaard met intracraniële epidurale uitbreiding of hersenzenuwuitval bij een schedelbasis lokalisatie. Een liquor lokalisatie (myelomateuze meningitis) is zeer zeldzaam, een frequentie van 1% wordt beschreven. Doorgaans betreft het patiënten in een eindfase van de ziekte, met prognostisch ongunstige cytogenetische kenmerken, die al diverse behandelingen achter de rug hebben. De grootste serie beschrijft 23 patiënten met een bewezen liquor lokalisatie.15 Klinische verschijnselen betroffen hersenzenuwuitval, radiculopathie, caudasyndroom of encephalopathie of combinaties daarvan. In tegenstelling tot de bevindingen bij de overige hematologische maligniteiten worden afwijkende MRI bevindingen beschreven bij 70% van de patiënten. Ondanks intensieve behandeling met intrathecale en systemische chemotherapie alsmede radiotherapie van symptomatische gebieden is de prognose slecht met een mediane overleving van slechts 3-4 maanden.
Medicatie-geinduceerde polyneuropathie komt frequent voor bij het MM. Hoewel behandeling met Thalidomide en Bortezomib een grote therapeutische winst betekent voor veel patiënten moet de PNP gezien worden als een ernstige bijwerking. Bij Thalidomide betreft het een overwegend sensore polyneuropathie met onaangename tintelingen die in enige mate voorkomt bij tot 75% van de patiënten die langdurig behandeld worden.16 Bij Bortezomib betreft het een soms invaliderende, pijnlijke, axonale sensore PNP die bij 20-30% van de patiënten zo ernstig is dat behandeling moet worden gestaakt of gewijzigd. Bij de meeste patiënten is de PNP grotendeels reversibel in maanden.17
1. Bromberg JE, Breems DA, Kraan J, Bikker G, van der HB, Smitt PS et al. CSF flow cytometry greatly improves diagnostic accuracy in CNS hematologic malignancies. Neurology. 2007;68:1674-9.
2. Gerstner ER, Abrey LE, Schiff D, Ferreri AJ, Lister A, Montoto S et al. CNS Hodgkin lymphoma. Blood. 2008;112:1658-61.
3. Hollender A, Kvaloy S, Nome O, Skovlund E, Lote K, Holte H. Central nervous system involvement following diagnosis of non-Hodgkin's lymphoma: a risk model. Ann.Oncol. 2002;13:1099-107.
4. van Besien K, Ha CS, Murphy S, McLaughlin P, Rodriguez A, Amin K et al. Risk factors, treatment, and outcome of central nervous system recurrence in adults with intermediate-grade and immunoblastic lymphoma. Blood 1998;91:1178-84.
5. Williams CD, Pearce R, Taghipour G, Green ES, Philip T, Goldstone AH. Autologous bone marrow transplantation for patients with non-Hodgkin's lymphoma and CNS involvement: those transplanted with active CNS disease have a poor outcome--a report by the European Bone Marrow Transplant Lymphoma Registry. J.Clin.Oncol. 1994;12:2415-22.
6. Fischer L, Korfel A, Kiewe P, Neumann M, Jahnke K, Thiel E. Systemic high-dose methotrexate plus ifosfamide is highly effective for central nervous system (CNS) involvement of lymphoma. Ann.Hematol. 2008.
7. Corn BW, Marcus SM, Topham A, Hauck W, Curran WJ, Jr. Will primary central nervous system lymphoma be the most frequent brain tumor diagnosed in the year 2000? Cancer 1997;79:2409-13.
8. Poortmans PM, Kluin-Nelemans HC, Haaxma-Reiche H, Van't Veer M, Hansen M, Soubeyran P et al. High-dose methotrexate-based chemotherapy followed by consolidating radiotherapy in non-AIDS-related primary central nervous system lymphoma: European Organization for Research and Treatment of Cancer Lymphoma Group Phase II Trial 20962. J.Clin.Oncol. 2003;21:4483-8.
9. Abrey LE, Ben Porat L, Panageas KS, Yahalom J, Berkey B, Curran W et al. Primary central nervous system lymphoma: the Memorial Sloan-Kettering Cancer Center prognostic model. J.Clin.Oncol. 2006;24:5711-5.
10. Baehring JM, Damek D, Martin EC, Betensky RA, Hochberg FH. Neurolymphomatosis. Neuro.Oncol. 2003;5:104-15.
11. Sancho JM, Ribera JM, Oriol A, Hernandez-Rivas JM, Rivas C, Bethencourt C et al. Central nervous system recurrence in adult patients with acute lymphoblastic leukemia: frequency and prognosis in 467 patients without cranial irradiation for prophylaxis. Cancer. 2006;106:2540-6.
12. te Loo DM, Kamps WA, van der Does-van den Berg, van Wering ER, de Graaf SS. Prognostic significance of blasts in the cerebrospinal fluid without pleiocytosis or a traumatic lumbar puncture in children with acute lymphoblastic leukemia: experience of the Dutch Childhood Oncology Group. J.Clin.Oncol. 2006;24:2332-6.
13. Pui CH. Central nervous system disease in acute lymphoblastic leukemia: prophylaxis and treatment. Hematology.Am.Soc.Hematol.Educ.Program. 2006;142-6.
14. Porkka K, Koskenvesa P, Lundan T, Rimpilainen J, Mustjoki S, Smykla R et al. Dasatinib crosses the blood-brain barrier and is an efficient therapy for central nervous system Philadelphia chromosome-positive leukemia. Blood. 2008;112:1005-12.
15. Schluterman KO, Fassas AB, Van Hemert RL, Harik SI. Multiple myeloma invasion of the central nervous system. Arch.Neurol. 2004;61:1423-9.
16. Tosi P, Zamagni E, Cellini C, Plasmati R, Cangini D, Tacchetti P et al. Neurological toxicity of long-term (>1 yr) thalidomide therapy in patients with multiple myeloma. Eur.J.Haematol. 2005;74:212-6.
17. Argyriou AA, Iconomou G, Kalofonos HP. Bortezomib-induced peripheral neuropathy in multiple myeloma: a comprehensive review of the literature. Blood. 2008;112:1593-9.
18. Hanse MC, Van't Veer MB, van Lom K, van den Bent MJ. Incidence of central nervous system involvement in chronic lymphocytic leukemia and outcome to treatment. J.Neurol. 2008;255:828-30.
19. Schluterman KO, Fassas AB, Van Hemert RL, Harik SI. Multiple myeloma invasion of the central nervous system. Arch.Neurol. 2004;61:1423-9.
Laatste Wijziging: 03-02-2010


